Wat is het verschil tussen een KPI en een gewone statistiek?
Het verschil tussen een KPI en een gewone statistiek is dat er bij een KPI een doel staat waaraan een besluit hangt.
Een statistiek meet iets. Een KPI meet iets waar je iets mee gaat doen.
Dat klinkt als een woordenspel en het verandert in de praktijk hoe je naar cijfers kijkt.

De test
Vraag jezelf af: als dit cijfer volgende maand dertig procent lager is, wat doe ik dan?
Heb je geen antwoord, dan is het geen KPI. Meer daarover lees je bij conversie.
Een voorbeeld
Je bezoekersaantal daalt met dertig procent. Erg? Dat hangt ervan af of je aanvragen ook daalden.
Je aanvragen dalen met dertig procent. Dat is altijd erg, en je gaat kijken waarom.
Waarom het onderscheid telt
Omdat dashboards vol staan met cijfers waar niemand iets mee doet. Dat kost aandacht zonder iets op te leveren.
Door een handvol KPI’s te kiezen, weet je waar je naar kijkt en waarom. Meer daarover lees je bij google analytics.
Mijn vuistregels
- Bij elk cijfer: wat doe ik als het daalt?
- Geen antwoord? Dan is het een statistiek.
- Zet bij elke KPI een doel en een termijn.
- Rapporteer je KPI’s apart van je overige cijfers.
Die laatste maakt in een overleg meteen duidelijk waar het gesprek over gaat.
Statistieken blijven nuttig
Ze helpen je een KPI te verklaren. Daalt je aanvraagcijfer, dan kijk je in je statistieken waar dat vandaan komt.
Ze zijn dus geen ruis, alleen geen stuurmiddel. Meer daarover lees je bij heatmap.
Hoeveel er kunnen zijn
Statistieken zoveel als je systeem geeft. KPI’s een handvol.
Meer daarover lees je bij hoeveel KPI’s je moet bijhouden.